Home > Communicatie > Artikelen C. van der Meijden


Artikelen C. van der Meijden


28-01-2017
Op de grote, stille Stuifduinheide
Wat heb ik deze zomer weer genoten van de bloeiende heide. Alleen maar aandachtig kijken, luisteren, ruiken, voelen. Dan is een wandeling over de mooie, paarse heide een echte belevenis!

Vanuit de verte zie je al een prachtig, glooiend landschap met hier en daar een oude eik en een enkele berk. Op de lagere delen van het landschap groeit het groen-gele Pijpestrootje, op de wat hogere delen de paarse heide en op de hoogste de uitgebloeide okerkleurige grassen (vooral Bochtige smele). Hier en daar tussen de heide en op de achtergrond glinstert het geel-witte stuifzand in de zon. Bij het naderen van de bloeiende heide ruik je al van ver de bedwelmende heidehoning (nectar).

Als je vervolgens aangekomen bent bij de heide en even door de knieën gaat en je oor te luisteren legt bij een ‘gonzende’ heidestruik, vind je er een grote verscheidenheid aan warmte-minnende insecten: hommels, honingbijen, zandbijen, gewone wespen, graafwespen, sluipwespen, zweefvliegen, uiltjes, vlinders, sprinkhanen, mierenleeuwen en libellen. Ook zie je er soms een Zandhagedis wegschieten.

De Groene specht verraadt met zijn kri-kri-geluid zijn aanwezigheid. Het kan ook gebeuren dat er plotseling een schuwe, supersnelle Houtsnip opvliegt uit de heide. Verder kun je er ook, als je geluk hebt, de Heidekikker en de Zandloopkever zien. Af en toe hangt er een biddende Torenvalk in de lucht of een Buizerd die zich uit puur genoegen laat meevoeren met de opstijgende luchtstroming: hoger en hoger. Op de stuifzandheide zie je ook steeds een groepje Graspiepers.

Aan de randen van het heidegebied op de warme stuifduinhellingen bevinden zich ook enkele nesten van de (wettelijk beschermde) Rode bosmier. Deze mieren hebben hun eigen mierenpaden. Uit een holte van een oude eikenstronk vliegen Hoornaars af en aan. De Hoornaar is een gemoedelijke reuzenwespensoort van ca. 2 á 3 cm die je nooit op een terras zult aantreffen. Je vindt verder in de stuifduinen sporen van ’s nachts overstekende reeën en hier en daar met lange, scherpe nagels gemaakte krabsporen van de das. Ook uitwerpselen van de vos en hier en daar nog enkele konijnenkeutels.

Op wat leemachtige grond in de stuifduinheide zag ik vroeg in het voorjaar een aantal Bremstruiken (Sarothamnus vulgaris) in bloei staan. Ook vond ik er, eveneens op wat leemachtige en dus iets minder zure grond, de tegenwoordig in de Drunense duinen zeldzame, meestal laag bij de grond blijvende Stekelbrem (Genista anglica) en Kruipbrem (Genista pilosa). De Kruipbrem zag ik niet alleen in het voorjaar, maar ook in het najaar nog een keer met zijn gele vlinderbloempjes in bloei!

Ook de Kruipwilg komt er nog voor. Wandelen door de heide is, als je er voor open staat en onderzoekend rondkijkt, een interessant gebeuren.

Misschien speelt het ook een rol dat ik in mijn jeugd ben opgegroeid tussen heidevelden. In het voorjaar liet de Wulp er zich horen en op warme zomeravonden de Nachtzwaluwen. Als kind met een nog onbevangen blik ervaar je je omgeving intuïtief nog als een groot verbazingwekkend geheel! Die verwondering is mij altijd bijgebleven en heeft zich gelukkig niet laten verdringen door de massa’s aan rationele kennis die je in je verdere leven wordt verondersteld op te nemen om als mondig lid van de maatschappij te kunnen functioneren.

Van de bekende schilder Vincent van Gogh (1853-1890) is bekend, dat hij zich ook altijd enorm verbonden voelde met de Brabantse heide. Toen zijn vader dominee was in Zundert, maakte hij tochten over de heide, soms met zijn vader in een rijtuigje om veraf wonende boeren te bezoeken. De heide bracht hem altijd weer in een gelukzalige stemming; het zorgde bij hem voor innerlijke vrede. Hij schrijft hierover aan zijn broer Theo: “Toen wij des avonds terugreden van Zundert over de hei, liepen Pa en ik een eind, de zon ging rood onder achter het masthout en de avondlucht weerkaatste in de moerassen (vennen). De hei en het gele en witte en grijze zand waren zo vol toon en stemming, zie, er zijn sommige ogenblikken in het leven dat alles, ook binnen in ons, vrede en stemming is, en het ganse leven ons voorkomt als een weg door de hei te zijn, maar dit is niet altijd zo.” Ook schreef hij: “Als het niet regent, ga ik elke dag naar buiten, meest op de hei”. Hij maakte ook nachtelijke wandelingen over de hei. Dan moet de nachtelijke sterrenhemel, dat weet ik ook uit eigen ervaring, een overweldigende indruk op hem hebben gemaakt. Dat brengt mij bij de door hem geschilderde ‘nachtelijke hemel’ (zie foto) die op mij nog altijd een overdonderende indruk maakt. De grote nachtelijke hemel met daarin opgenomen het kleine dorpje! Je kunt hieruit opmaken dat Vincent van Gogh een kosmisch bewustzijn had en besefte dat alles één groot geheel vormt dat constant in beweging en verandering is. Hij ging soms helemaal op in de natuur. Hij schrijft: “Ik heb momenten van verschrikkelijke luciditeit (helderheid) nu de natuur op het ogenblik zo mooi is en dan ben ik me niet meer van mezelf bewust en komt het schilderen in me op als een droom.”

Ik herken de heerlijke rust die de bloeiende paarse heide ook voor mij uitstraalt! Ik was, zoals gezegd, afgelopen juli en augustus dan ook vaak te vinden in de heidevelden in de buurt van de Witte Giersbergen, waar zowel jonge stuifduinheide als oude heide met korstmossen te vinden is. We hebben het hier dan over droge heide op zeer schrale, kalkarme, dus zure zandgrond, waar vooral Struikheide (Calluna vulgaris) groeit, terwijl op natte heide vooral Dopheide (Erica tetralix) te vinden is.

Waar nu de struikheide groeit is al meer dan 10.000 jaar geleden op het einde van de laatste ijstijd een langgerekte, zuidwest-noordoost georiënteerde vrij vlakke dekzandrug opgestoven vanuit het toenmalige brede rivierdal van de door het landschap kronkelende Oude Maas. Daarna zijn op de hogere delen van deze zandrug grote eiken- berkenbossen ontstaan. Vanaf omstreeks 900 wordt het gebied nabij de hogere zandrug in toenemende mate bewoond. Door houtkap en o.a. beweiding door varkens die dol zijn op eikels verdwenen geleidelijk de eikenberkenbossen en ontwikkelden er zich grote heidevelden. Door het eeuwenlang plaggen van deze heide en overbeweiding door schapen kreeg de wind weer vat op deze zandrug en ontstonden er stuifduinen.

Vanaf omstreeks 1900 werd er steeds meer kunstmest ingezet voor de landbouw en was de mest van de schapen die ´s nachts in de potstal werd achtergelaten in de met heideplaggen bestrooide stal niet meer nodig. Toen werden er op de heidevelden stelselmatig op grootschalige wijze Grove dennen (Pinus sylvestris) aangeplant niet alleen om het stuifzand tot staan te brengen, maar ook om als stuthout voor de kolenmijnen verkocht te worden. Daardoor verdwenen de meeste heidevelden. Op de nog overblijvende heide schoten vervolgens op natuurlijke wijze snelgroeiende vliegdennen op. Zo´n vliegden die de ruimte krijgt om zijn takken te ontplooien is ook een prachtige boom om te zien (zie foto).

Enkele jaren geleden heeft Natuurmonumenten een aantal bossen gekapt om het stuifzand weer aan het stuiven te krijgen en ook de heide weer een kans te geven. Als de mens niet zou ingrijpen, herstelt zich uiteindelijk overal weer het dennenbos en uiteindelijk ook het eiken-berkenbos. Daarom zet Natuurmonumenten de heideschapen weer in en zullen er ook regelmatig snelgroeiende jonge dennen moeten worden verwijderd om nieuwe bosvorming op de heide te voorkomen.

Op plekken in de luwte waar de wind geen vat heeft op het stuifzand, verschijnt al spoedig een pioniervegetatie. Deze bestaat voornamelijk uit het zodenvormende, blauwgroene Buntgras dat een echt zandbinder is en de zich met lange uitlopers door het zand rijgende Zandzegge en Ruig haarmos met aan de bladtoppen een glashaar om het felle zonlicht te kunnen verstrooien en verder de elders zeldzame korstmossen zoals Rendiermossen en Bekermossen. Deze planten zijn in staat de stuivende zandbodem weer vast te leggen en een enigszins humeuze bodem te vormen, waarop zich vervolgens weer jonge heide kan ontwikkelen. Op oude heideterreinen vind je op verschillende plaatsen grote open cirkels met vingerdikke, dode, zwartachtige takken. Dat zijn plaatsen waar een oude heidestruik is afgestorven. Heidestruiken kunnen wel 30 à 40 jaar oud worden. De hoofdtakken van een oude heidestruik kunnen vingerdik worden en een halve meter of meer hoog worden. De zijtakken groeien opzij uit om zo veel mogelijk zonlicht op te vangen en stoelen naar opzij uit met bijwortels. Een volwassen heidestruik vormt een mooie, grote bolvormige struik die steeds verder uitstoelt. Daar waar de wat oudere struiken wat openvallen, ontwikkelt zich Heideklauwtjesmos onder de struik dat als een soort spons regenwater kan vasthouden.

Het is verbazingwekkend hoe struikheide zich kan handhaven op deze droge, zeer voedselarme en zure zandgrond, waar de temperatuur op een zomermiddag kan oplopen tot meer dan vijftig graden. Bij nadere kennismaking blijkt dat de altijd groenblijvende struikheide allerlei aanpassingen heeft ontwikkeld om zich in dit milieu te kunnen handhaven. Ze heeft bijvoorbeeld kleine, leerachtige blaadjes met een naar binnengerolde rand die in droge tijden elkaar overlappen als dakpannen om zo de verdamping van water zo veel mogelijk te kunnen beperken. Struikheide voelt zich thuis op een fosfaat- en nitraatarme bodem. De houtige stengels van de heide bevatten veel looistoffen. De karige, zeer zure strooisellaag is dan ook moeilijk te verteren. In een dergelijk zuur milieu voelen regenwormen en de meeste bacteriën zich niet thuis. In dit milieu houden voornamelijk schimmels (zwammen) en kleine bodemdiertjes, zoals mijten en springstaarten, zich bezig met de omzetting van de zure strooisellaag in humus. Schimmels groeien in draden die enkele centimeters tot enkele meters lang kunnen zijn. Bepaalde schimmels zijn vergroeid met de wortels van de heidestruiken.

Mycorrhiza wordt dit verschijnsel genoemd. Deze schimmels vergroten niet alleen het bereik van de wortels van de heidestruiken, maar helpen de heidestruiken bij de opname van water en voedingsstoffen uit de bodem (o.a. fosfaat). Gelijktijdig voorzien de heidestruiken de schimmels van de benodigde suikers (koolhydraten) die in de groene blaadjes wordt geproduceerd.

Als het regent op de hoger gelegen zandgronden zakt het licht zure regenwater, dat in de atmosfeer koolzuur (koolstofdioxide) heeft opgenomen, naar beneden en neemt gelijktijdig humus, waaruit veel humuszuren vrijkomen mee naar beneden. Door al deze zure omstandigheden worden de zandkorrels, die bestaan uit kwarts (afslijpsel van graniet) met een dun laagje ijzeroxide eromheen, uitgeloogd. Daardoor komen er ook ijzerverbindingen vrij. Hierdoor ontstaat er in de bodem een uitgeloogde, loodgrijze uitspoelingslaag (de bruine ijzeroxidehuidjes rond de kwartskorrels zijn immers verdwenen), die na enige decimeters overgaat in een rood-bruine inspoelingslaag met uitgespoelde humus en ijzerverbindingen (ook wel ‘oerbank’ genoemd) met daaronder weer het normale gelige minerale zand, waarin zich soms nog enkele humeuze laagjes bevinden. Zo’n uitgeloogde bodem die altijd onder oude heidegebieden te vinden is, noemt men een podzolbodem. Podzol is Russisch en betekent zoiets als ‘asgrijze bodem’. (zie foto).


Een groot deel van de Loonse en Drunense Duinen bestaat momenteel uit vrij laag gelegen, uitgestoven vlakke gebieden. Het zand is hier op sommige plaatsen tot op de harde, koffie-bruine oerbank weggestoven. Daar ligt de bruine oerlaag aan de oppervlakte. Spoel nu de film terug! Denk de uitspoelingslaag er weer bovenop. Dan krijg je een idee hoe hoog de oorspronkelijke dekzandrug geweest moet zijn! En kijk dan eens om je heen, want bij uitstuivingen behoren natuurlijk ook opstuivingen. Waar zich vroeger eikenbomen bevonden (vaak langs oude nu nog te traceren wegen dwars door de duinen) werd het stuifzand tegengehouden en ontstonden stuifzandheuvels, waar de takken van eeuwenoude eiken nog vaak boven uitgroeien! Vergeet echter niet, dat deze zandverstuivingen nog steeds plaatsvinden. Geologisch (aardkundig) gezien, zijn nog ‘levende’ zandverstuivingen in binnenlandse duinen een heel bijzonder verschijnsel. De dynamiek van het stuivende zand in wisselwerking met pioniervegetaties, stuifzandheide, jonge en oude struikheide en zich weer ontwikkelend jong bos is biologisch gezien ook buitengewoon fascinerend.

De Loonse en Drunense Duinen zijn dus terecht aangewezen als een ‘Europees Natuurgebied’, dus een te beschermen natuurgebied dat ook vanuit Europees perspectief uniek en bijzonder waardevol is.

(Cees van der Meijden)

Foto's: Cees van der Meijden

13-03-2016
Klimaatconferentie Parijs
Op 12 december 2015 stemden bijna 200 verschillende landen in met een bindend klimaatakkoord. Daarmee moet de uitstoot van broeikasgassen worden teruggedrongen om zo de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden, met 1,5 graad als streefwaarde.
Dat mag, ook voor wat mij betreft, een historische gebeurtenis worden genoemd. Alle leiders van onze planeet Aarde bijeen om samen te overleggen hoe we onze planeet leefbaar kunnen houden. Er hangt immers doorlopend een deken van uitlaatgassen om de aarde, zodat wij ons in een soort broeikas bevinden, waarbinnen de temperatuur steeds hoger oploopt.
De huidige opwarming van de aarde is zeker ook het uiteindelijke gevolg van het moderne natuurwetenschappelijke denken, dat puur rationeel en praktisch georiënteerd is en dat zich al lang niet meer verwondert over de echte natuurlijke werkelijkheid. Men wil alleen nog weten – middels allerlei experimenten - hoe de natuur werkt om zo in staat te zijn de natuur te beheersen en de aarde uit te buiten. Dit instrumentele, mechanistische denken, waarbinnen de natuur slechts nutswaarde heeft t.b.v. de mens, heeft op alle gebieden de overhand gekregen. We gedragen ons als absolute bron
heersers over de aarde zonder enig respect voor de
natuur en de aarde als onderdeel van de allesomvattende kosmos. Ook niet gehinderd door enig ecologisch inzicht wat betreft de draagkracht van de aarde. Uiteindelijk gedwongen door de omstandigheden begint nu het besef door te dringen dat de aarde haar eigen principes volgt en wijzelf ook deel uitmaken van dit aardse gebeuren. Wij zullen dus hoe dan ook moeten leren leven in harmonie met de aarde.
Er zijn in Parijs een aantal afspraken gemaakt, waarmee alle landen hebben ingestemd, vooral ook de grootste vervuilers: de Verenigde Staten, China en Europa. Nu maar afwachten of de verschillende landen bereid zijn voldoende maatregelen te nemen om de afspraken na te komen.
Het akkoord rept namelijk met geen woord over de absolute noodzaak om te stoppen met het verbranden van fossiele brandstoffen.

Dan zouden waarschijnlijk een aantal landen die rijk zijn aan olie- en gasreserves niet met het akkoord hebben ingestemd.

Laten we - wat betreft ons eigen land - onze vervuilende kolencentrales als voorbeeld nemen. Het positieve resultaat van alle inspanningen die er momenteel in ons land al plaatsvinden voor een schonere industrie (m.b.v. zon, wind, water, aardwarmte) wordt door de uitstoot van deze centrales weer volledig te niet gedaan! Als je vervolgens verneemt dat o.a. onze grote steden nog onlangs weer nieuwe contracten hebben afgesloten met deze vervuilende kolencentrales dan begrijp je wel, dat er nog heel wat zal moeten gebeuren! Het economisch gewin gaat immers tegenwoordig vóór alles. De verantwoordelijke bestuurders zijn kennelijk nog niet voldoende doordrongen van de ernst van de zaak. Ze gaan er waarschijnlijk vanuit dat de problemen door de huidige technologie wel weer zullen worden opgelost o.a. door het opslaan van broeikasgassen onder de grond. Dan is het probleem tijdelijk weer even opgelost en wie dan leeft wie dan zorgt!
Dat is het oude, technocratische denken van de gevestigde machten, gebaseerd op de z.g. vrije markt van de onbegrensde groei en de daarbij behorende onbegrensde consumptie, gedomineerd door de grote concerns, inclusief de banken. Dit oude, uitsluitend economisch georiënteerde nuts denken begint echter van alle kanten vast te lopen. Met het gevolg crisissen op allerlei gebied die aangeven dat een tijdperk ten einde loopt en fundamentele veranderingen noodzakelijk zijn. Het positieve hieraan is, dat juist wanneer vanzelfsprekendheden wegvallen er ruimte ontstaat voor nieuwe inzichten. Allereerst de bewustwording dat de aarde niet afhankelijk is van de mens, maar de mens wel van de aarde. Dat vraagt om een nieuwe manier van denken.



Dat nieuwe denken zal vooral ook een denken vanuit ecologisch perspectief moeten zijn d.w.z. een denken met respect voor de natuur en de aarde. Een denken dat zich oriënteert op een kringloopeconomie van het genoeg met vooral ook aandacht voor de menselijke maat. Met een regionaal georiënteerde bedrijvigheid, waarbij persoonlijke inbreng en medeverantwoordelijkheid van alle medewerkers wordt gewaardeerd. Er zal vooral, dat is ook al aan het gebeuren, van onderaf, waar allerlei nieuwe ideeën zich instinctief en intuïtief op een natuurlijke manier beginnen op te dringen, veel drang moeten worden uitgeoefend op onze regeringsleiders, gemeentebestuurders en allerlei managers van grote ondernemingen die vaak nog verstrikt zitten in het oude denken en dus met de rug naar de toekomst staan.
Hoopgevend is, dat tijdens de klimaattop duizenden mensen, vooral ook veel jongeren, in allerlei landen in de gehele wereld de straat op zijn gegaan om duidelijk te maken, dat zij hun strijd voor een gezond klimaat en morele verantwoordelijkheid t.o.v. de aarde niet zullen stoppen en dat zij verwachten dat de regeringsleiders ernst maken met het nemen van ingrijpende maatregelen.
De klimaattop is ook een steun in de rug voor de vele lokale natuur- en milieubewegingen die zich al jaren inzetten voor behoud van natuur en een schoner en leefbaarder milieu. Ik hoop, dat de grote, mondiale organisaties zoals Natuur en Milieu, Greenpeace en Milieudefensie de zaken op de voet zullen volgen. Ook zij kunnen m.b.v. hun leden grote druk uitoefenen. Het nieuwe denken is hoe dan ook al volop aan het doorbreken en zal uiteindelijk niet meer te stoppen zijn. Daarom ben ik, ondanks alles, optimistisch gestemd!


Cees van der Meijden

14-11-2015
Waar zijn onze bloemrijke graslanden gebleven?
Inleiding In mijn jeugd waren bloemrijke en grassoortenrijke wei- en hooilanden nog overal te vinden. Als jongen dwaalde ik veel door de bossen en de duinen en liep ik natuurlijk ook over de zandpaden tussen de akkers en de weilanden door. Intuïtief leerde ik zo de vrije natuur te beleven en te verstaan.

Op een goede dag stond ik tussen het groen en zo maar plotseling besefte ik, hoe jong en onwetend ook, dat ik deel uitmaakte van een groter geheel en dat het belangrijk was je gewoon te laten leiden door dit grotere geheel. Het was een soort vóór-verstaan van het leven. Een aanvoeling die zich eigenlijk niet in woorden laat vatten. Op een of andere wijze voelde ik mij geborgen in een groot mij overstijgend mysterieus geheel. Deze intuïtieve ervaring heeft mij nooit meer losgelaten en zo beleef ik nog altijd de natuur om mij heen.

Tegenwoordig zeg ik vaak stoutmoedig: ik wil niet ‘geloven’, maar intuïtief ‘ervaren’. Overigens met alle respect voor alle gelovigen van welke godsdienst dan ook die immers ook allemaal op zoek zijn naar iets dat ons overstijgt. Later op de universiteit ben ik mij er nog meer van bewust geworden, dat ook de tegenwoordig zo hoog geprezen wetenschap, hoe nuttig in sommige gevallen ook, juist door de puur rationele benadering (beleving, gevoel mag geen rol spelen) niet kan doordringen tot de essentie van het leven.
In mijn jeugd bestond op de lagere school het vak: natuurkunde - in de zin van kennis over de natuur als samenhangend geheel. Tegenwoordig heeft men alles uit elkaar getrokken en zijn biologie, scheikunde en natuurkunde aparte vakken. Het geheel is uit het zicht geraakt! Deze uitsplitsing is een typisch westerse manier van denken: onze wetenschappers zijn zo op zoek naar de kleinste, elementaire deeltjes om zo uiteindelijk het grote geheel op puur rationele wijze te kunnen verklaren, terwijl de wijzen in het oosten juist vanuit het grote geheel de kleinere onderdelen trachten te verstaan. Dit laatste spreekt mij ook zeer aan. Ook ik houd ervan om vanuit het grote geheel de kleinere gehelen te verstaan (d.w.z. met een denken waar heel mijn wezen bij betrokken is). Ik voel mij ook emotioneel verbonden met mijn leefomgeving.

Plantengemeenschappen
Ook planten leven in herkenbare gemeenschappen (grotere gehelen) op bepaalde specifieke groeiplaatsen in wisselwerking met hun omgeving. Ik ga bij mijn benadering van de natuur ook altijd uit van het landschap als geheel en kijk dan of de plantengemeenschappen die bij dat specifieke landschap behoren er ook nog te vinden zijn. Welke soorten er groeien is vooral afhankelijk van het bodemtype (klei, zavel, zand); de grondwaterstand (nat, vochtig, droog) en de zuurgraad van de bodem (zuur of basisch d.w.z. geen of wel kalk aanwezig).
Deze zomer ben ik op zoek gegaan of er in onze gemeente nog bloemrijke graslanden met vanzelfsprekend ook verschillende grassoorten te vinden zijn?

Bloemrijke, grassoortenrijke en dus ook kruidenrijke graslanden dragen niet alleen bij aan de schoonheid en dus ook aan de beleving van het landschap, maar ze zijn natuurlijk ook waardevol voor allerlei dieren o.a. insecten zoals bijen en hommels.
Kruiden dragen ook bij aan de gezondheid van het vee en een betere kwaliteit van de melk en de kaas die wij uiteindelijk weer afnemen van de boer.
Helaas moet ik vaststellen, dat vrijwel alle traditionele wei- en hooilanden uit mijn jeugd door de intensieve, geïndustrialiseerde landbouw tot overbemeste, groene leegten zijn verworden! In de jaren vijftig van de vorige eeuw is men begonnen (o.a. via de ruilverkavelingen) alle z.g. ‘onproductieve bloemrijke graslanden’ te scheuren en om te zetten in ‘hoog productieve weilanden’ m.b.v. kunstmest en waterpeilverlaging. Voor het beleven van nog bloemrijk grasland moeten we nu terecht komen bij de dijken in zoverre ze niet intensief begraasd worden en bij de bermen van de wegen als ze althans niet te vroeg en te intensief gemaaid worden en in de door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer of het Brabants Landschap verworven natuurgebieden, waar de restanten van de vroegere wei- en hooilanden gelukkig behouden en hersteld worden om daar door een toenemend aantal mensen (die intuïtief weer terugverlangen naar een meer natuurlijke leefomgeving) bewonderd en beleefd te kunnen worden.

Tussen het Oude Maasje en de Witte Giersbergen
Onze gemeente Heusden ligt op de overgang van een lager gelegen, nat rivierengebied en een hoger gelegen, droog dekzandgebied.

In het noorden stroomt weliswaar de gegraven Bergsche Maas (gereedgekomen in 1904), maar het gedeeltelijk nog bestaande Oude Maasje (houdt het in ere!), dat al eeuwenlang door het gebied kronkelt, heeft het gebied letterlijk gevormd.
Het Oude Maasje zette er allereerst langs het stromende water de zwaardere zandkorrels af.
Dat werden de zandige rivierduinen en oeverwallen, waarop de dorpen Hedikhuizen, Herpt, Oude Heusden, Heesbeen en Doeveren zijn ontstaan en bedekte vervolgens het achterliggende gebied met zavelige klei (klei vermengd met zand). Op de laagste plaatsen in het achterliggende gebied waar het water lang bleef staan (de Hooibroeken ten noorden van Elshout, de Oosters bij Herpt en het Luijsbroek ten noorden van Haarsteeg) bezonken de kleinste deeltjes, de zware, onhandelbare klei. Op deze drassige en moerassige komkleigronden ontstonden eendenkooien die later door natuurverenigingen werden aangekocht. In het zuiden van onze gemeente bevindt zich het stuifzandgebied met de Witte Giersbergen met in de luwte de heide en de bossen. En in het midden van het gebied ligt de zandwal van de Langstraat, gelegen in het vroegere overstromingsgebied (Overlaatgebied) van de Maas.
In het overgangsgebied van dekzand naar rivierklei stuit het zich in het dekzand bevindende water op de harde kleilagen en komt dan vervolgens als kwelwater op bepaalde plaatsen weer tevoorschijn. Daar groeien dan kwelminnende planten.

Verschillende typen grasland
Door al deze omstandigheden beschikte onze gemeente in het verleden over een mozaïek van een aantal bijzondere bodems met verschillende typen grasland met de daarbij behorende plantengemeenschappen. Op de voedselarme zandgronden grenzend aan de Drunense Duinen was droog schraalgrasland te vinden met o.a. Buntgras, Zandstruisgras, Fijn schapegras, Zandblauwtje,Schapezuring, Muizeoor en Gewoon biggekruid.

In het oude laagveengebied bij het Vlijmens Ven en de Moerputten (een kwelgebied) bevond zich nat schraalgrasland (’s winters plasdras en ’s zomers oppervlakkig uitdrogend), ook wel blauwgrasland genoemd i.v.m. het veelvuldig voorkomen van de blauwgroen gekleurde Blauwe zegge. Kenmerkende planten waren Blauwe zegge, Spaanse ruiter, Blonde zegge, Blauwe knoop en Grote pimpernel. Op de matig voedselrijke, zavelige rivierkleigronden in de polders aan de Maas kwamen, afhankelijk van de waterhuishouding, voornamelijk drie typen grasland voor.
- Op de laag gelegen bodems met kwel die ’s winters nat en ’s zomers vochtig waren, was drassig hooiland of dotterbloemgrasland te vinden waar de dotterbloemgemeenschap zich thuis voelde met soorten als Echte koekoeksbloem, Moeras-vergeet-mij-nietje, Brede orchis, Moerasrolklaver, Grote ratelaar en Tweerijige zegge. Denk hier aan de Hooibroeken en het Luijsbroek.
- Op eveneens laag gelegen bodems met een grote waterstandwisseling (’s winters een hoge grondwaterstand en ’s zomers een waterstand beneden de wortelzone van de planten) was de Vossestaart (een grassoort) overheersend aanwezig. In dit z.g. Vossestaartgrasland voelden ook Grote pimpernel en Weidekervel zich thuis en Moeraspaardebloem en Gewone smeerwortel. Denk hier aan bodems ter hoogte van de Zeggelaarseweg in het Herptsche veld. Veel vossestaartweilanden waren vaak arm aan plantensoorten wegens de vaak te langdurige natte en daardoor zuurstofloze bodems.
- Op de wat hoger en droger gelegen bodems en dijken, denk aan de Maasdijk, was
glanshavergrasland met de soortenrijke glanshavergemeenschap met o.a. Glanshaver (Frans raaigras), Groot streepzaad, Glad walstro, Gele morgenster, Goudhaver, Margriet en Graslathyrus te vinden. Glanshaverhooiland was slecht bestand tegen overstromingen en beweiding.
De hiervoor vermelde drie typen grasland hadden, gezien de zavelige rivierklei, ook een aantal planten-soorten gemeenschappelijk zoals Scherpe boterbloem, Veldzuring, Rode klaver, Pinkster-bloem,Knoopkruid, Gewone bereklauw, Fluitekruid en Hondsdraf. Verder was op de schrale, min of meer kalkrijke zandgrond van de zandige oeverwallen en andere zandruggen langs de nog oorspronkelijke Maas tussen Hedikhuizen en Bokhoven stroomdalgrasland te vinden met o.a. Echte kruisdistel, Knikkende distel Kattedoorn, Cypreswolfsmelk, Wilde averuit, Goudhaver, Veldereprijs, Kroonkruid en Zacht vetkruid.

Terug naar kleinschaligheid
Voor al deze soorten grasland met hun kenmerkende planten is tegenwoordig vrijwel geen plaats meer. Ze zijn allemaal omgevormd tot monotoon, soortenarm, voedselrijk productiegrasland. Je vraagt je tegenwoordig wel eens af: wat heeft ons dit uiteindelijk opgeleverd? Talloze boeren zitten immers in de problemen!
Daarom blijf ik ervan overtuigd, dat er in de toekomst, gedwongen door klimatologische, ecologische en emotionele omstandigheden, de oude kringloop-landbouw van onze grootouders met bloemrijke wei- en hooilanden, weer zal moeten terugkeren. Weliswaar uitgevoerd met moderne middelen door minder gestreste boeren die weer echt verstand hebben van duurzaam bodembeheer en van verschillende grassoorten en kruiden in de wei met daarin koeien natuurlijk! Ook met aandacht voor hun leefomgeving, waarin ze duurzaam zullen zijn ingepast.
Natuurlijk moeten wij (burgers) dan wel bereid zijn een hogere prijs voor deze streekproducten te betalen die voor een dergelijke, weer meer kleinschalige, milieuvriendelijke landbouw noodzakelijk is. De hogere prijs kan gecompenseerd worden door een aantal hoogst ongezonde producten in de schappen van de supermarkten te laten liggen. Ik hoorde onlangs de Franse boeren tijdens hun protesten zeggen, dat ze juist die kant weer uit willen en ook verneem ik, dat de biologische landbouw in ons land minder problemen heeft.

In het Brabants Dagblad van 29-8-2015 stond een opvallend artikel onder de titel ‘De Nieuwe wereld in Brabant’ met zinnen als “Agrofoodsector Brabant gaat niet langer voor méér, maar voor beter” en in het zelfde artikel “Op een moderne manier gaan we terug naar vroeger. De boer dichter bij de klant en andersom”. Dus zo ouderwets of utopisch zijn mijn gedachten over de terugkeer van de kringloop-landbouw nu ook weer niet. Misschien in de toekomst toch weer bloemen in de wei!

Cees van der Meijden






De Zwaluwenmoer
WAAROM AANDACHT BESTEDEN AAN HET GEBIED: DE BOSSCHEWEG, DE ZWALUWMOERSEDREEF EN DE EENDEKOOI IN DRUNEN?

Cultuurhistorisch gezien zijn de lintbebouwing en het slagenlandschap kenmerkend voor de Langstraat. Door de ontginning van het veengebied dat zich in vroegere tijden tussen de Oude Maas en de hoger gelegen Brabantse zandgronden bevond, ontstonden de noord-zuid georiënteerde, naar de Maas afhellende, smalle stroken (slagen) grond, gescheiden door sloten. Van achterkade naar achterkade werd het gebied ontwaterd om het geschikt te maken voor de landbouw.
Uiteindelijk kwam men terecht op een hoger gelegen door de Maas in het verleden opgeworpen zandwal. Op deze natuurlijke achterkade ontstond vervolgens de lintbebouwing van de Langstraat, één lange straat van Raamsdonk tot en met Vlijmen. Achter alle boerderijen bevonden zich lange, smalle kavels, gescheiden door sloten. Zo ontstond dus het slagenlandschap van de Langstraat.
Nog in de veertiger jaren van de vorige eeuw was dat landschap in al deze dorpen duidelijk zichtbaar. Ook Drunen bestond voornamelijk nog uit één grote straat, de Grotestraat (de Eindstraat, de Grotestraat en de Bosscheweg) die aan beide zijden door boerderijen werd geflankeerd. Deze straat vormde, zoals elders in de Langstraat, de enige weg voor al het doorgaande verkeer. De Grotestraat werd in Drunen gekruist door twee noord-zuid verlopende wegen: Torenstraat/ Stationsstraat en Giersbergse Steeg (Duinweg)/ Badhuisstraat (Lipsstraat). Door de herbouw van de Lambertuskerk en het Raadhuis na de Tweede Wereldoorlog en de bouw van een winkelgalerij ontstond het Raadhuisplein.
Door de toen opkomende industrialisatie was er veel behoefte aan nieuwe woningen. Dat was het begin van het ontstaan van de nieuwe wijken: Braken-West, Braken-Oost, Venne-Oost en Venne-West. Daardoor verdween hier het oorspronkelijke slagenlandschap. Overgebleven is nog slechts één gebied, de Bosscheweg en de daarachter gelegen Zwaluwmoersedreef en de Eendekooi, waar de historische ontwikkeling van het dorp Drunen (en de Langstraat) nog in het landschap is af te lezen en - niet onbelangrijk- ook nog beleefd kan worden.
Ook in Nieuwkuijk en Vlijmen is dit slagenlandschap vanaf de Grotestraat nagenoeg verdwenen. Daarom is het behoud van dit karakteristieke gebied: de Bosscheweg met hier en daar nog doorkijkjes naar het achterland en de Zwaluwenmoer landschappelijk, natuur- en cultuurhistorisch gezien van belang! Vooral vanaf de Zwaluwmoersedreef zijn nog duidelijk de slagen achter de boerderijen van de Bosschweg te zien en vandaar verder naar de Zwaluwenmoerse eendenkooi.
Helaas heeft in 2004 - 2005 een glastuinbouwbedrijf aan de Duinweg van het toenmalige gemeentebestuur toestemming gekregen de kas te vergroten (ook in de hoogte) tot ver in dit nog bijzondere gebied, terwijl er elders in de gemeente langs de Tuinbouwweg speciaal een gebied voor de tuinbouw in ontwikkeling was! De Natuur en Milieuvereniging heeft daartegen toen tevergeefs bezwaar gemaakt.

In de “Structuurvisieplus van de gemeente Heusden” van 2006 staat nog te lezen: “De zone Bosscheweg-Zwaluwmoersedreef leent zich wat betreft verstedelijking vooral voor woningbouw. Het gebied verkeert in een verrommelde situatie”. In 2001 werd door de Provincie Noord-Brabant de z.g. Stedelijke Regio Waalboss gelanceerd: een globaal uitwerkingsplan i.v.m. de actualisatie van het ruimtelijke beleid van de provincie. Het plan had echter een bredere strekking dan alleen de bepaling van woon- en werklocaties. De gemeente Heusden zou een groene buffer moeten worden tussen Waalwijk en ’s-Hertogenbosch. Juist door dit nog groene en landelijke karakter, ook binnendijks, zou de gemeente Heusden zich in de toekomst moeten onderscheiden van de twee andere (grootstedelijke) gemeenten.
Helaas heeft, naar mijn mening, onze gemeente het uitwerkingsplan voor de Stedelijke Regio te veel aangegrepen met maar één doel: bouwen, bouwen en nog eens bouwen (verstedelijking) en te weinig aandacht gehad juist voor behoud van open ruimte, groen, natuur- en cultuurhistorisch landschap. Onlangs is er in de Gemeente Heusden een nieuwe Cultuurhistorische waarden- en beleidskaart ontwikkeld, de z.g. Cultuurhistoriekaart Heusden. Ik hoop dat ons huidige gemeentebestuur - de tijd is geëvolueerd - inmiddels meer aandacht heeft gekregen voor het belang van het behoud van het landschappelijk- en cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente, zodat, als er nieuwe plannen ontwikkeld worden, deze Cultuurhistoriekaart ook daadwerkelijk wordt geraadpleegd en gewaardeerd!
DE KARAKTERISTIEK VAN DE ZWALUWENMOER Centraal in de Zwaluwenmoer ligt de oude, niet meer in werking zijnde, eendenkooi van de vroegere heren van de heerlijkheid Drunen die het uitsluitende recht van jacht en eendenkooi hadden.

Volgens gegevens uit het oude archief van Drunen legde heer Johan baron van Wassenaar in 1654 een kooi aan op de Gemeint van Drunen, de Kuijkse Heide, ter plaatse van het “Swalemermoer”. Hiervoor en voor de aanleg van een toegangsweg moest hij toestemming vragen aan de gegoede ingezetenen, daar zij de rechten van de Gemeint (gemeenschappelijke weiden) bezaten. In 1794 werd deze Drunense kooi door de Fransen verwoest.
Om toezicht te houden op hun jachtgebied en in het bijzonder om stroperij tegen te gaan, beschikten de heren van Drunen in de negentiende eeuw over een jachtopziener. Ingevolge de Jachtwet van 1923 kwam er een eind aan het heerlijke jachtrecht. De graven d’Oultremont waren hartstochtelijke jagers en als ze in Drunen vertoefden (nog in de zeventiger jaren van de vorige eeuw) gingen ze graag op jacht rondom het kasteel, in de Zeeg en de Eendenkooi en op de Pestert dat ook tot het domein van de familie behoorde.

Dit werd mij destijds verteld door Gerrit Tins, voormalig boswachter van Vereniging Natuurmonumenten die werd uitgenodigd om als drijver mee op jacht te gaan. Vooral de watersnippen (bécassines) hadden hun aandacht.
Watersnippen zijn namelijk kleine en zeer behendige vogels, waarvoor veel ervaring en behendigheid nodig is om ze te kunnen bemachtigen. Zo kwam boswachter Tins in contact met graaf Roland d’Oultremont die aangaf wel wat grond te willen afstoten. Daarna werd de Pestert en omgeving (in totaal 65 ha.) in 1976 eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten.
Langs de Kooiweg en de toegangsweg vanaf de Kooiweg naar de eendenkooi staan mooie beuken die, zoals de inmiddels overleden heer Jos van den Hoven, die land bezat langs de Zwaluwmoersedreef, mij eens vertelde, omstreeks 1900 zijn aangeplant door de graven d’Oultremont. De heer H. Roestenburg, wiens vader tuinman was van de graven d’Oultremont, kan het hiermee eens zijn, gezien de omvang van deze bomen.

Hij zei mij ook, dat zijn over-grootvader had doorgegeven, dat de graven tussen 1875 en 1900 veel beukenbomen op hun goederen hebben aangeplant. Persoonlijk ga ik ervan uit, dat behalve de beuken op het Landgoed d’Oultremont en het beukenbos (inmiddels) aan de overkant van de A59, ook de beuken langs de Bosscheweg en de Koesteeg in Nieuwkuiijk en de beukenlaan op de Pestert door de graven d’Oultremont zijn aangeplant.
De oude Zwaluwenmoerse kooi die sinds 1703 in bezit was van de familie d’Oultremont is in 1993 door de Natuur en Milieuvereniging gemeente Heusden aangekocht van de toenmalige eigenaresse gravin F.M.J.G.C. de Dorlodot – d’Oultremont, wonende te Corroy-Le Grand, kasteel Vieux-Sart in België. De aankoop verliep destijds via notaris Peters die rentmeester was van de gebieden van de familie d’Oultremont in Drunen. De overdracht vond dus plaats in Drunen.
Aldus Joost van Balkom, de voorzitter van de Natuur- en Milieuvereniging. Hij laat mij ook weten, dat ze het gebied (0.7 ha.) kochten, omdat naast de natuurwaarden ook de cultuurhistorische waarden belangrijk zijn en die dreigden verloren te gaan door de toen aanwezige bouwlocatieplannen. Ze wilden het gebied beschermen door het aan te kopen. Toen ze het kochten was het jaren door de boeren gebruikt als dump van landbouwplastic en ander vuil. Veel flessen met landbouwgif, vaak nog geheel gevuld, hebben ze opgeruimd. Er lag zo veel afval dat ze de gemeente hebben gevraagd om met de vuilniswagen het afval te komen ophalen. Het is momenteel een nat bosgebiedje met wilgen, berken, elzen en eiken op rabatten. Behalve de oorspronkelijke vorm van de kooi is er van de eendenkooi zelf weinig over, geen kooiplas, geen vangarmen. Alles is met de laatste ruilverkaveling verwoest.
De stoep naar de kooi toe bestaat nog wel, evenals de ring van houtwallen eromheen en een aantal beuken. Toen ze het bosgebied kochten, waren er allerlei natuurwaarden aanwezig, vooral de oude koningsvarens waren een lust om te zien.
Dat wilden ze zo houden. De laatste jaren broedt er af en toe een buizerd en ook een bosuil heeft hier al een paar keer jongen gehad. Aan de rand worden met regelmaat houtsnippen gezien. De natuurvereniging doet weinig onderhoud in dit vogelparadijsje. Wel moet de sloot geschoond worden, omdat er schouw op zit.
Verder ligt er binnen het gebied, parallel aan de natuur- en cultuurhistorisch zeer waardevolle en op de cultuurhistoriekaart hoog gekwalificeerde Heidijk, die ook als ecologische verbindingszone dienst doet, een klein, niet oninteressant berken- elzenbroekbosje met wat rietland. Dit geeft, volgens mij, een beetje een beeld hoe dit moerassige gebied er vóór de ontginning moet hebben uitgezien. Op rietland van dichtgroeiende, vrij voedselarme, moerassige gronden met stagnerend water, ontwikkelt zich van nature elzenbroekbos met naarmate het water verzuurt een toenemend aantal berken. Aan de zonnige buitenkant groeien de lichtminnende wilgenbosjes. Tussen dit bosgebiedje en de Heidijk loopt een mooi eikenlaantje.

De toegangsweg vanaf de Duinweg naar de groene villawijk “de Eendekooi”, biedt een mooi uitzicht op het gebied. In de “Eendekooi” staan ook een aantal jongere en oudere beuken en helemaal op einde van die straat staan drie zeer oude eikenbomen, volgens mij, misschien wel bijna 200 jaar.
Op de huidige Cultuurhistoriekaart staat een belangrijke zichtlijn aangegeven vanaf de Bosscheweg over de Zwaluwmoersedreef naar de Oude Zwaluwenmoerse kooi die zeker open zou moeten blijven! Vanaf de Kooiweg heeft men ook een mooi uitzicht op het als historisch groen aangegeven bos van de Zwaluwenmoerse eendenkooi. Verder worden ook de monumentale bomen vermeld. Ook de beplanting langs de Zwaluwmoersedreef (1900-1925) wordt gewaardeerd. De wegen in het gebied worden historisch geografisch eveneens redelijk hoog gewaardeerd .
In een bericht in het blad ‘Natuurlijk’ van januari 2015 heb ik gelezen, dat er in de Zwaluwenmoer een samen-tuin wordt aangelegd onder leiding van de werkgroep ‘Samentuinen’, bestaande uit Anja Kleijn, Remko Broeren en Marianne Rechters. Samen tuinieren, samen leren in en van de natuur. Het wordt een ecologische tuin, passend bij de omgeving, op een nog mooi, oorspronkelijk stukje grond met aan weerszijden slootjes met elzenstruiken en knotwilgen, ter beschikking gesteld door Albert uit Drunen. Bravo!
In de tekst behorend bij de nieuwe cultuurhistoriekaart van de gemeente Heusden staat over dit bijzondere gebied vermeld: “Behoud van de karakteristiek van dit gebied is van groot belang in de ruimtelijke planning (van de gemeente Heusden).”

Cees van der Meijden



De witte Giersberg
Het toegangsweggetje naar het parkeerterrein van Giersbergen, dat vroeger ‘het Kleine Steegje’ werd genoemd, heeft een officiële naam gekregen: ‘Ter Kameren’ (weg). Wie op het idee gekomen is, weet ik niet, maar het doet mij veel plezier! Het legt namelijk weer een link tussen Giersbergen en de Abdij Ter Kameren in Brussel.


klik hier voor het hele artikel

21-09-2014
Laagveengebieden
Water moet in de toekomst weer bepalen waar we kunnen wonen en werken.

Brabant en dan vooral de hoger gelegen zandgronden zijn zo droog als gort met dank aan de uitgebreide ruilverkavelingen en de intensieve landbouw. Er werd een heel systeem opgebouwd om al het water zo snel mogelijk naar zee af te voeren. Met de wijsheid van achteraf lijken deze ingrepen de provincie meer kwaad dan goed te hebben gedaan.

Saaie landschappen, verdroging, vermesting, opwarmende binnensteden en andere zaken tasten de leefbaarheid van Brabant aan. Dit stond te lezen in het Brabants Dagblad van 24 juni 2014.
Een breed scala aan overheden, zoals gemeenten, waterschappen en provincie maakt zich zorgen over de ruimtelijke ontwikkeling. Daarom hebben drie architectenbureaus de opdracht gekregen om ontwikkelingsmodellen op te stellen die moeten dienen als alternatief voor de tekortschietende plannen die er tot voor kort door provincie en gemeenten werden gemaakt. Brabant loopt tegen grenzen aan. Nieuwe inzichten zijn nodig, omdat de oude modellen niet meer werken. Ook de intensieve landbouw heeft zijn grenzen bereikt. Het roer moet om. Alles moet weer met elkaar verweven worden.
Dat besef drong, volgens verslaggever Nico Schapendonk, ook door tot de meer dan 250 mensen die deelnamen aan de "Brabantdag" die plaatsvond in de kunsthal in Rotterdam(?), waar de architecten hun plannen toelichtten. Er werden zes 'slimme plannen' op een rij gezet om Brabant leefbaar en bovendien economisch aantrekkelijk te houden. Eigenlijk draaien alle zes ontwikkelingsmodellen om water. Logisch, zegt architect Floris Alkemade:" Ooit was Brabant drijfnat, maar tegenwoordig wordt het water zo snel afgevoerd dat het soms kurkdroog is.
Het water in Brabant moet weer de hoofdrol krijgen die het ooit had.”
Water moet weer de ruimte krijgen.


Hans Massop, hoofd natuurbeheer van Natuurmonumenten, schrijft in het blad "Natuur" van mei 2003, dat dankzij een zeer effectief waterafvoersysteem boeren al vroeg in het jaar het land op kunnen om mest uit te rijden en gras te maaien.
De keerzijde is echter dat het waterland dat Nederland ooit was met droogte te maken heeft gekregen, waardoor het kan gebeuren, dat diezelfde boeren soms al in mei met sproei-installaties hun grasland moeten beregenen. Niet alleen het grasland is te droog, ook de natuurgebieden hebben door de snelle waterafvoer te kampen met watergebrek.
Planten en dieren die het moeten hebben van waterrijke en vochtige omstandigheden verdwijnen.
Daar komt bij dat het water, dat er nog wel is, vaak erg vervuild is, aldus Massop. Het grootste probleem vormen de meststoffen die in het water terecht komen. Engels raaigras mag dan beter groeien van veel mest, de meeste planten kunnen deze overbemesting niet verdragen. Daardoor verdwijnen veel soorten die afhankelijk zijn van voedselarm en schoon water.

Daarom bereiken veel plannen die ontwikkeld zijn om de natuurwaarden te verbeteren hun doel niet. Water kent geen grenzen. Het stroomt van elders de natuurgebieden in.
Behalve dat het huidige watersysteem slecht is voor de natuur die bij een waterrijk land hoort, dreigt het binnenkort ook tegen zijn capaciteitsgrensen aan te lopen. Door de opwarming van de aarde zal de zeespiegel stijgen en de neerslag toenemen, zo is de verwachting. Gevolg daarvan is dat er meer water op een hoger gelegen zee afgevoerd moet worden. Dat gaat knellen, zoals we de laatste jaren hebben ervaren.

Om overlast te voorkomen is het onvermijdelijk dat water in de toekomst langer wordt vastgehouden.
Dat vereist een ingrijpende wijziging van onze omgang met water, zegt Massop. Kern van veranderingen moet zijn, dat water weer de ruimte krijgt. We moeten af van de snelle afvoer. Het systeem moet er in de eerste plaats op gericht zijn water vast te houden. Voor perioden van veel neerslag moet je zorgen dat je het water tijdelijk kunt bergen. Pas in allerlaatste instantie moet je het gaan afvoeren.
We moeten af van het idee dat water op al onze behoeften en wensen afgestemd kan worden. Integendeel, wij moeten onze behoeften en wensen weer op het water afstemmen. Het is niet voor niets dat vroeger alleen gebouwd werd op verhogingen in het landschap en niet in de uiterwaarden.

Er wordt al een 'slim waterplan' gerealiseerd in het Vlijmens Ven en de Moerputten.
De eertijds aanwezige natte, schrale graslanden in het Vlijmens Ven en de Moerputten worden weer hersteld en vergroot! Deze z.g. blauwgraslanden worden inmiddels niet alleen in Nederland, maar ook op Europese schaal ernstig bedreigd. De intensieve landbouw heeft ook in dit gebied gezorgd voor een verarmd landschap met hoofdzakelijk mais en Engels raaigras en overbemeste sloten bedekt met kroos en algenbloei (flap).
Pas wanneer het hier aanwezige kwelwater weer in de wortelzone van de planten kan doordringen en de overtollige meststoffen zijn verwijderd, kunnen de bijzondere plantensoorten van de blauwgraslanden zich hier weer herstellen. Daarvoor moet de voedselrijke, bovenste grondlaag worden afgegraven en het waterpeil worden verhoogd.
Sinds de ruilverkaveling in de zestiger jaren van de vorige eeuw is het waterpeil van dit gebied ongeveer één meter verlaagd. Bovendien is het waterpeil op agrarisch gebruik afgestemd en tegennatuurlijk: in de winter lagere peilen en in de zomer hogere. Daarvoor is nodig dat het watersysteem van de intensieve landbouw gescheiden wordt van het watersysteem van het natuurgebied. Herstel van deze natte, voedselarme graslanden wordt o.a. met subsidie van de Europese Unie mogelijk gemaakt onder de noemer: "Blues in the Marshes".

De herontwikkeling van deze blauwgraslanden gaat hand in hand met het plan: "Hoogwateraanpak 's-Hertogenbosch" van het Waterschap Aa en Maas. Dat plan moet 's-Hertogenbosch in de toekomst weer beschermen tegen wateroverlast. Een gebied van ca. 750 hectaren tussen Vlijmen, Vught en 's-Hertogenbosch, dat gedeeltelijk het natuurgebied overlapt, wordt weer ingericht als waterberging. Het kan verkeren! Natuurmonumenten zet zich in samen met haar partners Staatsbosbeheer, Waterschap Aa en Maas, de Vlinderstichting en de gemeenten Heusden en 's-Hertogenbosch om de zeldzame natuur in dit gebied terug te brengen. Weer "Pimpernelblauwtjes in de Blauwgraslanden"! Tegelijk wordt het gebied toegankelijker gemaakt voor het publiek. Door de relatief lage ligging is dit gebied eeuwenlang een overloopgebied van de Maas geweest. Bij hoge waterstanden kwam daar ook nog het water bij van de beken: de Aa, de Dommel en de Broek- en Zandleij die dan niet konden uitwateren op de Maas. Bovendien welt hier water op uit de ondergrond. Het gebied ligt op de overgang van de hoger gelegen zandgronden naar de lager gelegen rivierkleigronden van de Maas.

Klei laat water slecht door en zand juist heel goed. Regenwater dat op de hogere zandgronden valt, stroomt ondergronds naar het lager gelegen gebied (passeert dan kalk en ijzerhoudende grondlagen) en botst vervolgens op de kleilaag en welt dan op als meer of minder basenrijk grondwater. Dit o.a. kalkbevattende water neutraliseert de zure bodem met het gevolg dat er hier bijzondere en zeldzame planten groeien die houden van een zwakzure, neutrale of licht basische grond. Deze natte, schrale, onbemeste graslanden die 's zomers vaak oppervlakkig wat uitdroogden, werden vroeger als hooiland gebruikt. Ze werden 'blauwgraslanden' genoemd, omdat op dit grasland veel blauwe zeggen groeiden die een blauwig aanzien gaven aan deze graslanden. Kenmerkende planten van blauwgraslanden zijn o.a. Spaanse ruiter, Blonde zegge, Blauwe zegge, Vlozegge, Blauwe knoop, Grote pimpernel, Klokjesgentiaan en allerlei orchideeën. Er kwamen ook veel bijzondere vlinders voor o.a. de pimpernelblauwtjes.

De Moerputten
Het gebied van de Moerputten met het dorpje Groot Deuteren maakte in de 19e eeuw deel uit van de toen zelfstandige gemeente Cromvoirt. In de gemeentelijke verslagen van 1854 tot 1859 is er sprake van een moerderij (turfwinning) in Deuteren, waarin zeven mensen in de drie zomermaanden werk vonden. Vandaar de naam 'moerputten'.
In het geschriftje "Natuur en Landschap in het Ruilverkavelingsgebied" van J.Noest uit 1959 vermeldt deze bosbouwkundige bij Staatsbosbeheer, die het gebied vóór de ruilverkaveling nog heeft verkend, dat er in dit gebied 's winters behalve wilde eenden ook veel smienten, pijlstaarten, slobeenden en wintertalingen voorkwamen.
Ook enige duizendtallen ganzen (kol- en rietganzen) en een honderdtal zwanen. Ook pleisterende kraanvogels. Verder kwamen er in het moerasgebied visotters voor. Ook de grauwe kiekendief, de roerdomp en het wouwaapje hielden er zich schuil. Hij maakt ook melding van een kolonie zwarte sterns bij de Moerputten. Dat is niet verbazingwekkend, want zwarte sterns bouwen immers hun nesten op krabbenscheren (planten!) die er volop in de verlandende sloten van de Moerputten aanwezig moeten zijn geweest. In de sloten, waar de Grote- en Kleine modderkruipers (vissen) leefden, moeten behalve krabbenscheren op de open plaatsen ook bijzondere kranswieren en fonteinkruiden te vinden zijn geweest, evenals Holpijp, Waterviolier en Groot blaasjeskruid.

Omdat vroeger voor het afschieten van 'schadelijk gedierte' van overheidswege een premie beschikbaar werd gesteld, kunnen we ons aan de hand van de gemeentelijke verslagen van Cromvoirt ook enig idee vormen welke z.g.' schadelijke beesten' er werden afgeschoten en zich dus waarschijnlijk ook ophielden in de polder van Cromvoirt. De lijst vermeldt: vossen, wezels, bunzings, sperwers, wouwen, arenden, buizerds, haviken en valken.
In 1933 vond er een gemeentelijke herindeling plaats: het noordelijke gedeelte van Cromvoirt (Deuteren en de Moerputten) kwam bij 's-Hertogenbosch en het eigenlijke dorp Cromvoirt bij Vught. 's-Hertogenbosch nam dit buitengebied gedeeltelijk in gebruik als vuilnisbelt. Na veel protesten werd hiermee gestopt en stichtte de gemeente er een woonwagenkamp. Gelukkig kon de kern van het gebied: "het open water van de Moerputten overgaande in het jonge moerasgebied van de oude veenputten, begrensd door legakkers met daaromheen graslanden, gelegen op onvergraven bodem", worden aangekocht door Staatsbosbeheer.

In 1953 werd het een natuurreservaat.
Over de natte, schrale graslanden schrijft J.Noest (dus nog vóór de ruilverkaveling): "Het open water is omgeven door graslanden die overgaan van nat, via dras en vochtig naar relatief droog.

Bij hoge waterstanden staan de laagst gelegen percelen 10 - 20 cm onder water (vóór de aanleg van het Drongelens kanaal was dat, volgens Noest, soms 2 meter of meer), terwijl de hoogst gelegen graslanden dan vochtig tot dras zijn. Hierdoor bleef een natuurgebied met schraalland behouden, zoals in ons land maar weinig meer te vinden is." Zijn visie en inzet hebben er zeker toe bijgedragen, dat dit gebied uiteindelijk als een Natura 2000-gebied is aangewezen. Misschien moet er nog eens een J.Noest-wandelroute komen?

Het Vlijmens Ven
De kern van het Vlijmens Ven behoorde tot de gemeenschappelijke weiden in het bezit van de gemeente Vijmen (Nieuwkuijk). Tot ongeveer 1900 was het een drassig ven-achtig gebied zonder wegen of sloten, dat zich niet leende voor verkaveling.

Na de aanleg van de Bergsche Maas (1904) en het Drongelens afwateringskanaal (1910) was het gedaan met de jaarlijke overstromingen en kon het als landbouwgebied worden ingezet. Als ontginningsbasis werd een sloot gegraven, de nu nog aanwezige "Vlijmens Vense Hoofdloop", midden door het voormalig drassige gebied. Deze sloot loosde het water op de Bossche Sloot (de uitmonding van de Zandleij) die weer uitwaterde in de Dieze.
Er werden ook enkele wegen en dwarssloten aangelegd. Daarna zien we op de dan aangepaste kaart van 1916 ten zuiden van de sloot een soort blokverkaveling verschijnen en ten noorden (aan de kant van de Heidijk) een groot aantal smalle, noord-zuid verlopende,langgerekte sloten (greppels) op de kaart. Volgens Ir. D. van Diepen , hoofdingenieur bij de staf bodemkartering die ook bij de ruilverkaveling van dit gebied betrokken was, wijst deze blokvormige percelering in het zuidelijke gedeelte op een individuele uitgifte van de gemene weiden. Het noordelijke, nattere gedeelte bleef gemeentelijk bezit. Hier werden een groot aantal sloten (greppels) gegraven met langerekte perceeltjes ertussen en de greppelgrond werd gebruikt om de tussenliggende kaveltjes op te hogen. Deze perceeltjes konden vervolgens verpacht worden als extensief hooiland aan de gebruikers van de belendende percelen.

Op kaarten van na de ruilverkaveling is te zien, dat ook hier weer herverkaveling heeft plaats gevonden. De blokvormige percelen aan de zuidkant van de hoofdloop zijn in meer langgerekte, anders geörienteerde percelen veranderd en de slootjes aan de noordkant zijn teruggebracht tot een kleiner aantal grotere sloten met bredere percelen ertussen. Uit onderzoek blijkt dat de kleinere sloten zijn dichtgegooid met zand en organisch materiaal, misschien uit deze grotere sloten? Door dit alles is het oorspronkelijke bodemprofiel nagenoeg verdwenen.
Het Vlijmens Ven staat al lang bekend als een kwelgebied waar bijzondere kranswieren worden gevonden.

Helaas ligt een gedeelte van deze sloten momenteel tot aan de randen helemaal ingeklemd tussen maisvelden. In zoverre deze sloten inmiddels niet zijn verland, is het water dermate overbemest , dat er zover ik heb kunnen nagaan geen kranswieren meer te vinden zijn. Ik ga er wel vanuit dat deze kranswieren die van helder en schoon water houden, na de voltooiing van bovenstaande plannen, gezien de hoge kweldruk hier, zeker zullen terugkeren.
In het gebied ten noord-westen van de spoordijk bij de Moerputten zijn al een aantal hectaren afgegraven om zo het blauwgrasland weer kansen te geven. Het is nu al een interessant gebied in ontwikkeling. Ik heb er tot mijn vreugde in ieder geval al weer kranswieren gevonden.
Uit onderzoek (Verlanding in nieuwe petgaten van W.A. Weys en B.F. van Tooren, 2014) naar behoud en herstel van alle stadia in de verlanding van open water naar o.a. trilveen is komen vast te staan, dat instroom van bemesting van aangrenzende cultuurgrond moet worden uitgesloten en dat in smalle sloten met rechte taluds geen verlanding op gang gang kan komen, dus graag schuine taluds!

Noblesse noblige! Een Natura 2000-gebied schept verplichtingen.
De belangrijkste beheerders van dit gebied: Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de waterschappen Aa en Maas en De Dommel hebben de moeilijke taak de nodige maatregelen te nemen voor behoud- en bescherming van bepaalde planten- en diersoorten en hun leefgebieden: blauwgrasland voor het Pimpernelblauwtje en
vossenstaart- glanshavergrasland voor het Donker pimpernelblauwtje.

Dan moeten er in het gebied vervolgens voldoende ondiepe sloten zijn met stilstaand of langzaam stromend water met waterplanten en modderlagen voor de Grote en Kleine modderkruipers en ook nog open, heldere kwelsloten met weinig modder op de bodem, waar de kranswieren zich thuis voelen en ondiepe oevers voor de Drijvende waterweegbree. Dan horen in dit gebied nog veenmosrietland en trilveen thuis die een bepaald ontwikkelingsstadium vormen in de verlanding van sloten en plassen. Al deze bijzondere leefmilieus (habitattypen) komen natuurlijk niet alleen ten goede aan de specifiek door Brussel aangewezen soorten, maar scheppen ook enorme mogelijkheden voor veel andere al of niet bijzondere planten en dieren en natuurlijk voor de natuurliefhebbers!


15-01-2014
De nieuwe wildernis
De beelden van de nieuwe natuurfilm “De Nieuwe Wildernis” van regisseur Ruben Smit die ik onlangs op t.v. te zien kreeg waren inderdaad indrukwekkend!
Twee jaar lang struinde een camerateam door de Oostvaarderplassen in zuidelijk Flevoland bij Almere om er – wat in de kranten werd genoemd – Nederlands meest ruige natuur te filmen. Volgens boswachter Hans Breeveld in dienst van Staatsbosbeheer trekken de Oostvaarderplassen jaarlijks ruim 200.000 bezoekers. Door deze nieuwe film zullen dat er, volgens hem, nog veel meer worden.
Na afsluiting van de Zuiderzee door de Afsluitdijk in 1932 ontstond het IJsselmeer, dat daarna gedeeltelijk werd drooggelegd. Eerst ontstond de Noordoostpolder en vervolgens Oostelijk-Flevoland. Bij de drooglegging en inrichting van Zuidelijk-Flevoland in 1968 bleef er in het laagste gedeelte water staan. Deze plassen ontwikkelden zich in de loop van de tijd op een natuurlijke wijze zonder ingrijpen van de mens tot een moerasgebied. De grauwe ganzen, die er massaal aanwezig waren, zorgden ervoor dat het gebied niet helemaal dichtgroeide: in het nattere gedeelte hielden ze plassen open en in het drogere gedeelte zorgden ze voor open grazige plaatsen. Daardoor ontstond een gevarieerd landschap speciaal interessant voor watervogels.
Al weer enkele jaren geleden heb ik de Oostvaarderplassen bezocht. Het eerste wat ik te zien kreeg vanuit het raam van het bezoekerscentrum was een visarend die op een paal zat midden in een grote plas. Wow! Ook de zeearenden worden er tegenwoordig regelmatig gezien. Zulke beelden vergeet je niet gauw. Dit behoorlijk grote gebied (ca. 6000 ha.) heeft inmiddels de potentie dergelijke indrukwekkende vogels aan te trekken. De arenden hebben er dit jaar zelfs gebroed. Het bleek dus in Nederland, dat het dichtstbevolkte land van Europa is, nog mogelijk te zijn nieuwe wildernis te laten ontstaan. Dat vond ik geweldig!

Natuurlijk heb ik destijds vanuit de kijk hut met de verrekijker ook gekeken naar de grote vlakte met de grote grazers. Wat zag ik? Veel te veel koeien (Heckrunderen) en paarden ( Konikpaarden) en edelherten opeengepakt in een te klein omheind gedeelte van het gebied. Daar was ik niet zo enthousiast over. Te vol naar mijn idee en de dieren kunnen, indien nodig, niet uitwijken naar andere gebieden.
De afgelopen jaren zijn veel Nederlandse natuurbeheerders gaan kijken naar het Bialowieza-woud in Polen. Het gaat hier – let wel - over een gebied van meer dan 200.000 ha. op de grens van Polen en Wit-Rusland. Dit woud, waar nog eiken staan van 750 jaar oud, wordt vaak aangeduid als het laatste oerbos van het Europese laagland. Daar kan men nog zien hoe een natuurlijk bos in de lage landen er uit hoort te zien. Het oerrund en het oerpaard zijn uitgestorven. Ook de bruine beer komt er niet meer voor, wel elders in Europa! Wel echter nog de enige zelfstandig levende kudde wisenten ( Europese bizons) in Europa. Verder leven er wolven, lynxen, elanden, edelherten, wilde zwijnen, otters, bevers en dat soort dieren. Dus grazers en hun vijanden. Planteneters en vleeseters!

Nu terug naar de Oostvaarderplassen. Hier heeft, volgens mij, de mens (in dit geval Staatsbosbeheer) te vroeg ingegrepen in het natuurlijke proces van verwildering. Er werden een aantal grote grazers naar de Oostvaarderplassen overgebracht en zo was hier, volgens Staatsbosbeheer, weer een natuurlijk leefgebied ontstaan, waar menselijk ingrijpen niet meer nodig was.
Het verdere verloop hebben we op t.v. kunnen zien en in de pers kunnen lezen. In de wintermaanden stierven er een heleboel grazers van ellende wegens gebrek aan voeding en beschutting. Staatsbosbeheer greep niet in. Dit was immers een natuurlijk proces!
Het gevolg: enorm veel protest vanuit de maatschappij. Er werden zelfs vragen over gesteld in de Tweede Kamer. Er werd een commissie – de Commissie Gabor- ingesteld om de zaak te onderzoeken. De toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Dr. Henk Bleker berichtte in 2012 als volgt aan de Voorzitter van de Tweede Kamer: “uitgangspunten van beleid: massale sterfte van dieren door verhongering of afschot moet worden voorkomen; er moet weer maatschappelijk vertrouwen komen in het beheer van de grote grazers in de Oostvaarderplassen; er moet onder meer een vroeg reactief beheer in gang gezet worden; er moeten beschuttingsmaatregelen worden genomen; er moeten helikoptertellingen worden verricht; er moet een watermanagementplan worden opgesteld en er moeten een aantal commissies worden benoemd.”
Als gevolg werd door Staatsbosbeheer een Managementplan Oostvaarderplassengebied 2011/2015 uitgewerkt. Wat het vroeg reactief beheer betreft, worden op basis van beoordeling van de conditie van individuele dieren en van omgevingsomstandigheden tijdig dieren afgeschoten waarvan aannemelijk is dat zij het eind van de winter niet zullen halen. Dientengevolge werden er in het winterseizoen 2011/2012 volgens opgave in totaal 1257 dieren afgeschoten en 224 stierven er een natuurlijke dood. Er werden ook bospercelen open gesteld als beschutting.
Het is wel duidelijk, dat de Oostvaarderplassen nog geen zelfstandige, nieuwe wildernis vormen, waar de mens niet hoeft in te grijpen!
Veel dieren in ons land zitten opgesloten in te kleine natuurgebiedjes die van elkaar gescheiden zijn door uitdijende steden en dorpen, bedrijventerreinen, intensief beheerde agrarische gebieden en vooral niet te vergeten door een intensief gebruikt wegennet. Daarom is het voor veel dieren vaak onmogelijk om soortgenoten te ontmoeten, om naar nieuwe, veilige plekken te trekken- indien nodig - of te verhuizen naar een voedselrijker gebied. Dat betekent vaak stress en honger.
Daarom is het van groot belang dat afzonderlijke natuurgebieden in Nederland met elkaar verbonden worden . Daarom ook heeft de regering in 1990 in het natuurbeleidsplan ( NBP) besloten dat alle natuurgebieden in ons land met elkaar verbonden moeten worden .

Zo ontstaat één samenhangend netwerk van natuurgebieden met voldoende grootte. Dit netwerk wordt de Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het zou in 2018 af moeten zijn. Er moet echter nog heel wat gebeuren!
Onze huidige regering is bezig onder leiding van Staatssecretaris Sharon Dijksma het natuurbeleid te herijken. Het kernpunt van het advies aan het kabinet is, dat Nederland niet langer moet uitgaan van de bescherming en kunstmatige instandhouding van bedreigde soorten in afgebakende natuurgebiedjes. Er moet juist worden geïnvesteerd in grotere, landschappelijke eenheden, waar de natuur de ruimte krijgt haar eigen dynamiek te ontplooien. De bijzondere dieren en planten volgen dan wel.
De ecoloog Wouter Helmer, directeur van ARK Natuurontwikkeling, stond de afgelopen twintig jaar aan de basis van duizenden hectaren nieuwe natuur in Nederland (o.a. Gelderse Poort) en later ook in Oost-Europa.

Zijn stem klinkt in veel adviezen door: “Vertrouw op de kracht van de natuur. Die kan het zelf wel, als ze maar de ruimte krijgt!”
Ik citeer uit een interview in “Natuurbehoud”( nr. 1 2009): “We moeten weer leren vertrouwen op de kracht van de natuur. Dan is het zeker mogelijk ook in het dichtbevolkte Nederland te werken aan gebieden waar het gehele ecosysteem aanwezig is. Natuur functioneert het beste als niet alleen grote plantenteters, maar ook grote vleeseters aanwezig zijn. Met name grote roofdieren hebben veel ruimte nodig. Zij bepalen de vereiste grootte. Het gaat dan om tienduizenden hectaren aaneengesloten. In principe hebben we dat in Nederland. Ook is er voedsel genoeg. Er zijn alleen nog barrières. Die zijn op te lossen, bijvoorbeeld door meer ecoducten. We kijken vaak naar het buitenland voor voorbeelden van grote natuurgebieden. Maar in Europa bestaat niet één gebied met het hele spectrum aan soorten. Er ontbreekt overal wel iets. Buiten Nederland zie je bijna nergens grote grazers. Bij ons ontbreken de grote roofdieren. We kunnen leren van elkaars ervaringen. Herstel van robuuste natuur rust, volgens hem op drie pijlers:

Genoeg ruimte voor natuurlijke processen, veel aandacht voor het betrekken van de plaatselijke bevolking bij de ontwikkeling en een kien oog voor economische kansen. Aaneengesloten natuurgebieden zijn niet alleen goed voor dier en plant, maar ook voor de mens die er kan wandelen en fietsen. Maar ook voor drinkwaterwinning en waterberging zijn ze belangrijk. Het is ook goed voor de gezondheid. Het liefst moet de natuur tot in de stad lopen. Het belang van robuuste natuur zit nog te weinig tussen de oren. Er wordt vaak gezegd dat natuuraanleg geld kost, maar het levert zeker zoveel op. Snelwegen leg je ook niet aan, omdat ze zelf geld opleveren, maar omdat ze zaken mogelijk maken. Natuurontwikkeling in Nederland is nog te veel gericht op behoud. Heel logisch, want natuurbescherming in Nederland moest echt bevochten worden tegen de verdrukking in. Nu is het tijd om een stap verder te zetten. Meer denken in ontwikkeling. Daarvoor is het verbinden van natuurgebieden erg belangrijk.”
Waar mogelijk kunnen ook Nederlandse natuurgebieden gekoppeld worden aan
Duitse en Belgische natuurgebieden. De Europese Commissie heeft immers een groot aantal (ca. 25000) beschermde natuurgebieden (Natura 2000 gebieden) aangewezen in Europa. Dit netwerk van natuurgebieden vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van de biodiversiteit in Europa.
De Europese Commissie draagt financieel bij aan beschermings -maatregelen in deze Natura 2000 gebieden. Ook voor De Loonse en Drunense Duinen en het Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek - die ook aangewezen zijn als Natura 2000 gebied - worden deze Europese subsidies ontvangen.
In 2011 werd Wouter Helmer ook mededirecteur van de nieuwe stichting: “Rewilding Europe”. Deze Stichting wil honderdduizenden hectaren nieuwe wildernis in heel Europa laten terug keren.
Een probleem dient zich hier aan als een kans: de mensen trekken tegenwoordig weg naar de stedelijke gebieden en het platteland loopt leeg. In grote gedeelten van het platteland van Europa vindt ontvolking plaats. Het zijn vaak afgelegen, bergachtige gebieden waar de grond ook niet voldoende productief is voor de moderne landbouw. De natuur is er weer aan het verwilderen. Daar komt nog bij, dat het met veel dieren die in Europa vrijwel uitgestorven waren weer wat beter gaat , dankzij een decennia lange, wettelijke bescherming.
Wij moeten dan denken aan wisenten, wolven, bruine beren, steenbokken, bevers, otters, kraanvogels, zeearenden en vale gieren e.d. De populaties van al deze dieren zijn sinds de 18e eeuw enorm achteruitgegaan door toedoen van de mens. Ze zijn teruggedrongen naar afgelegen gebieden, intensief bejaagd (steenbok, wisent, eland) of vervolgd (bruine beer, lynx, grijze wolf, monniksgier). Niet alleen nemen de aantallen weer toe, ook wordt het verloren (ontvolkte) terrein weer gekoloniseerd.
De kans doet zich nu voor om hier nieuwe wildernis te laten terugkeren.


Het biedt ook werkgelegenheid voor de mensen die op het platteland willen blijven en voor ecotoerisme. Daarom werd in 2010 het initiatief genomen voor het project “Rewilding Europe”.
Om te beginnen zijn er al vijf gebieden uitgezocht: De Donaudelta (Roemenië), de Oostelijke Karpaten (Polen, Slovakije), Zuidelijke Karpaten (Roemenië), Velebitgebergte (Kroatië) en Westelijk Iberia (Portugal, Spanje).
Ook in Nederland trekken jongeren vooral naar verstedelijkte gebieden en wordt, al is het nog op bescheiden schaal, het buitengebied verlaten. Een aantal wilde dieren zijn ook hier, al dan niet een handje geholpen, weer aan hun terugkeer begonnen, zoals bv. das, bever, vos, otter, arend en kraanvogel.
Hoewel Nederland een dicht bevolkt land is met een kolossaal netwerk van spoor- en snelwegen hoop ik toch, dat, als het Nederlandse netwerk van natuurgebieden met behulp van flinke corridors verbonden zal worden met het Europese, er plotseling vroeg of laat weer eens een nog angstige wolf of een zeer voorzichtige lynx opduikt in ons land!

Vriendelijke groet,

Cees van der Meijden

22-09-2013
Leven in harmonie met de aarde
De nachtelijke sterrenhemel kan een prachtige, adembenemende aanblik bieden. Het is verbijsterend te beseffen dat het licht van de sterren dat we op dat moment zien, afhankelijk van de afstand, honderden, duizenden en zelfs honderdduizenden jaren onderweg is geweest als het ons oog bereikt! In 1961 was Juri Gagarin de eerste mens die de planeet aarde vanuit de ruimte te zien kreeg.

De nachtelijke sterrenhemel kan een prachtige, adembenemende aanblik bieden. Het is verbijsterend te beseffen dat het licht van de sterren dat we op dat moment zien, afhankelijk van de afstand, honderden, duizenden en zelfs honderdduizenden jaren onderweg is geweest als het ons oog bereikt! In 1961 was Juri Gagarin de eerste mens die de planeet aarde vanuit de ruimte te zien kreeg. Daarna volgden er meerdere ruimtevaarten. In 1968 maakten enkele astronauten een ruimtevlucht om de maan heen om deze te verkennen. Op een gegeven moment riep een van de astronauten: “Kijk, de aarde komt op”! Voor het eerst zagen deze mensen de aarde als een hemellichaam opkomen. Ze waren ontroerd toen ze de aarde zagen zweven als een hemellichaam tegen het oneindige zwart van het heelal. Deze astronauten maakten de eerste foto’s van de aarde, gezien vanaf de achterzijde van de maan. De beelden werden ook uitgezonden op de t.v. Ze veranderden onze kijk op de aarde voor goed! Een van de astronauten, Jim Lovell, zei hierover later: “We kwamen om de maan te verkennen, maar het belangrijkste wat we ontdekten was de aarde zelf. We begonnen ons te realiseren dat dat ons enige tehuis was.”

De foto waarop de aarde achter de maan opkomt, is inmiddels een wereldberoemde foto die in allerlei tijdschriften is verschenen en de titel “Earthrise” (het opkomen van de aarde) heeft meegekregen.

Door de waarneming van de broosheid en nietigheid van onze planeet aarde ontstond bij veel mensen die de beelden zagen een gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid voor het behoud van onze gemeenschappelijke planeet. Er ontstonden allerlei milieubewegingen die opkwamen voor het behoud van de aarde als geheel. Er werden groene, politieke partijen opgericht die om wereldwijde verantwoordelijkheid voor de aarde vroegen. Een groep Europese wetenschappers – bekend als de Club van Rome – brachten in 1972 een rapport uit met de titel: “De grenzen aan de groei”. Geen prettig bericht, vooral niet voor de rijkere landen van de wereld die alleen nog maar kunnen denken in begrippen van eindeloze economische groei en consumptie zonder te denken aan alle gevolgen die dat heeft voor het leefmilieu van de aarde. Je moet je realiseren dat slechts op de buitenste rand van de aarde zich leven heeft ontwikkeld . Daar bevindt zich namelijk een dunne schil bestaande uit: lucht, bodem en water.

Deze dunne schil (de biosfeer) is de beperkte levensruimte voor plant, dier en mens! Alles wat in deze levensruimte bestaat en leeft is nauw met elkaar verbonden en afhankelijk van elkaar. Als er verbindingen verbroken worden zijn de gevolgen vroeg of laat merkbaar. Ook de mens is een onafscheidelijk deel van dit geheel. De mens kan alleen overleven in dit samenhangende geheel als hij bereid is zich op een verstandige en gevoelige manier in te passen in dit geheel. De Indianenhoofdman Seattle zei het zo: “Alles hangt met alles samen.

Wat er met de aarde gebeurt, gebeurt met de kinderen van de aarde. De mens heeft het web van het leven niet geweven; hij is er slechts één draad van. Wat hij met het web doet, doet hij met zichzelf.” Wat doet de mens echter? Zonder enige aandacht voor de natuur als geheel, zonder te beseffen dat mens, dier en plant van elkaar afhankelijk zijn, zonder affiniteit met de natuur, pleegt hij grootschalige roofbouw op de aarde: vernietiging van tropische oerwouden (de longen van de aarde); vervuiling van zeeën en oceanen met plastic en andere troep (plastic soup); grootschalige verontreiniging van de bodem door overbemesting en dumping van schadelijk afval; verontreiniging van het water door schadelijke bestrijdingsmiddelen, fosfaten en medicijnen ; het uitstoten van grote hoeveelheden schadelijke gassen in de lucht.
Inmiddels heeft de Noorse onderzoeker Jorge Rander van de Club van Rome een geactualiseerde versie van het Rapport van Rome geschreven met de titel ”2052, een globale voorspelling voor de volgende veertig jaar”. Hij vindt kort samengevat, dat we op het ogenblik de draagkracht van de aarde volledig aan het overschrijden zijn, zoals bijvoorbeeld met de veel te grote uitstoot van broeikasgassen. Hij zegt ook, dat we veel te langzaam reageren op de verschillende crises: o.a. milieucrisis, klimaatcrisis, grondstoffencrisis. Dat komt volgens hem vooral omdat de grote bedrijven en de politiek gericht zijn op de korte termijn. De negatieve effecten van ons gedrag worden volgens hem steeds duidelijker en zichtbaarder. Zo zal het zeeniveau met een halve meter stijgen en zullen we steeds vaker getroffen worden door de extreme weersomstandigheden. Deze wetenschapper meent ook dat de menselijke kortzichtigheid geen grenzen kent. Sommige optimisten vertellen ons dat de markt en het kapitalisme dit zullen oplossen. Dat is fout, volgens Jorgen Rander, want het kapitalisme is net gespecialiseerd in het brengen van geld naar de goedkoopste – versta - de slechtste oplossingen. Hij vindt het volkomen tijdverlies om hierover met politici te spreken. We moet rechtstreeks met de kiezers spreken. Zijn advies: definieer nieuwe ambities, bijvoorbeeld: hoe verhogen we het sociaal welzijn in een wereld zonder groei?
Met het volgende voorbeeld wil ik enigszins duidelijk maken, wat wordt bedoeld met ‘Alles hangt met alles samen’: Al het leven is afhankelijk van de energiestroom van de zon, maar tegelijkertijd ook van de beschermende werking van de atmosfeer. De lucht bestaat voornamelijk uit stikstof en zuurstof en verder nog een kleine hoeveelheid andere gassen o.a. kooldioxide. Als land en zee zijn opgewarmd door de zonnestraling, stralen ze de opgenomen energie weer terug de ruimte in. Echter een deel van die zonnewarmte wordt door o.a. kooldioxide geabsorbeerd en weer naar de aarde teruggezonden. Hoewel de warmte van de aarde uiteindelijk naar de ruimte ontsnapt, wordt ze lang genoeg vastgehouden om de atmosfeer op te warmen. Zonder dit natuurlijke broeikaseffect zouden de temperaturen op aarde ongeschikt zijn voor menselijke leven. Door de verbranding van enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas, kolen) komt er te veel kooldioxide in de atmosfeer. Daarnaast vindt veel ontbossing plaats, terwijl bossen veel kooldioxide opnemen.

We stoten tegenwoordig meer kooldioxide uit dan onze bossen en zeeën kunnen opnemen. Daardoor is het kooldioxidegehalte in de atmosfeer enorm toegenomen, waardoor er een versterkt broeikaseffect ontstaat, waardoor weer de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. Volgens Jorge Rander zal het poolijs ’s zomers verdwijnen. De opwarming van de aarde zal uiteindelijk zichzelf nog versterken. Als de altijd bevroren ondergrond in het poolgebied gaat ontdooien zal er veel methaangas vrijkomen dat de aarde nog verder opwarmt. Dat alles kan dus in de min of meer nabije toekomst desastreuze gevolgen hebben! Gelukkig, zou ik haast willen zeggen, is het einde van de fossiele brandstoffen in zicht. Volgens mij moet er dus hard gewerkt worden aan nieuwe energiebronnen. Dat zullen duurzame energiebronnen moeten zijn, zoals de zon die massa’s energie uitstraalt en wind en water die al in de oudheid als energiebron werden gebruikt. En zo moet dan, wat dit betreft, het evenwicht geleidelijk weer hersteld worden.
Ik ervaar het als positief, dat bij steeds meer mensen het besef begint door te dringen dat er iets wezenlijks moet gebeuren om ons ernstig bedreigd aards milieu te beschermen. Eerst en vooral vraagt dit om een andere houding ten aanzien van ons leefmilieu. Veel regeringen en grote multinationals en niet te vergeten grote banken zien hun heil nog steeds in groei, groei en nog eens groei om de bestaande economische crisis op te lossen. Veel mondige burgers beginnen echter te beseffen, dat er wezenlijke veranderingen nodig zijn. Ze ergeren er zich aan dat de regering steeds weer plannen wil doordrukken, waarvoor in de maatschappij geen draagkracht meer bestaat. Ze nemen daarom zelf het heft in handen en ontplooien verbazingwekkende initiatieven op het gebied van hergebruik van stoffen; energiebesparing; kleinschalig ondernemerschap; bescherming van het hun omringende milieu; toepassing van alternatieve landbouwmethoden; georganiseerde natuurwandelingen en natuurbeleving; zonnepanelen op het dak; biologisch verantwoord voedsel en minder vleesgebruik en ga zo maar door. Ook veel lagere overheden staan steeds meer een milieuvriendelijker beleid voor op allerlei gebied. De veranderingen zullen vooral – en dat lijkt mij uitstekend in een democratie – van onderaf moeten komen. Ik heb het gevoel dat we moeizaam en langzaam op weg zijn naar een nieuwe levensstijl: Weer leven in harmonie met de aarde!

© Natuur- en Milieuvereniging Gemeente Heusden 2010-2017
Vogelgeluid